Maken en Mollen 3

Panfluit-mitrailleurs. Niels van der Tuuk wil een maker worden, en een meester-maker bovendien!

Panfluit-mitrailleurs

We draaien het thema oma’s tijd in groep 4 en 5. We laten de kinderen onderzoek doen naar het speelgoed uit de tijd van hun grootouders. Dan valt op dat er meestal veel minder speelgoed omhanden was. Het werd ook vaak zelf gemaakt. Heel anders dan nu, er was een grote groep leerlingen die zich niet kon herinneren wanneer ze zelf voor het laatst speelgoed hadden gemaakt. Een bellenblazer van een stukje ijzerdraad en een bakje zeepsop? Een openbaring voor ze. En nog veel mooiere bellen ook.

Dus gingen wij twee middagen lang zelf speelgoed maken. We hadden een mooi boek van het NEMO ter inspiratie. Duidelijke opdrachten, steeds dezelfde materialen en bij elk stuk speelgoed ook nog eens de technische of natuurkundige inzichten helder beschreven. Want dat blijkt toch de rode draad. Speelgoed is vaak iets dat ‘iets doet’.

Er is speelgoed dat je maakt, het doet dan iets, en dat lijkt het dan te zijn. Het salamandertje kruipt langs het draadje omhoog. Cool, maar klaar is klaar. Goed je kunt er ook een lieveheersbeestje van maken. Net als het draaiende plaatje van de kooi en de vogel. Je maakt het en dan is het af. Dan is het aan de meesters om in te springen met feedback. Hoe kun je het nog beter maken? Bijna altijd is er ruimte voor verbetering, maar niet elk kind wordt daar heel enthousiast van. Het is af, het doet iets, dus klaar. Wil je ze aanleren dat klaar nog niet altijd klaar is, dat het de eerste stap in een proces van ontwerpen en verbeteren is, dan moet je ze daar wel van overtuigen. Vergelijken helpt vaak. Leuk, die vogel in het kooitje. Maar het kooitje is verkeerd om. Kijk maar eens naar die van Elza. En hoe komt het dat die van jou veel langer blijft draaien? Wat is er anders aan die van jou?

Toch hebben de kinderen soms hun leraren helemaal niet nodig om in te zien dat klaar niet altijd klaar is. Een aantal jongens van groep 5 heeft een panfluit gemaakt van rietjes. Vonden ze erg leuk, beetje geëxperimenteerd met dikke en dunne rietjes, verschillende manieren om ze vast te plakken. Toch mist er iets. Je ziet ze denken. Een panfluit is leuk. Maar al die pijpjes, daar moet iets mee weg te schieten zijn. Dus ze duiken de bakken met materiaal in. Verschillende propjes worden gemaakt. Ander materiaal, andere diktes. Het panfluit-pistool is geboren, de propjes vliegen in het rond. Ik werp de jongens een strenge blik toe. Leuk hoor, zeg ik. Maar veel vetter als je er een mitrailleur van maakt. Hoe kun je er voor zorgen dat al die propjes tegelijkertijd je panfluit uitvliegen? Er moet een mondstuk gemaakt worden of zo. Bovendien moet dat laden veel handiger kunnen. In een flow zijn de jongens aan het werk. Ze rennen heen en weer van de werktafels naar de materiaalbak en je hoort ze door de school roepen: ‘Gast neem die bol wol mee!’ Toch vind ik ze een stuk rustiger overkomen dan wanneer ze met hun spellingboekjes op het leerplein zitten.

Voor we er erg in hebben is het 3 uur. De bel gaat. Tassen pakken, jas aan en naar huis, met panfluit-mitrailleur. Klaar. Overal materialen, de vloer bezaait met propjes. De les nabespreken moet morgen maar. We hadden het enthousiasme van de leerlingen onderschat. Ze bleven maar bezig. En dat opruimen, dat moeten we nu dan maar zelf gaan doen. Klaar, is nog niet altijd klaar.

Deze blog is geschreven door:
Niels van der Tuuk
Leraar in groep 4 op de A. Bekemaschool
@SchoolmeesterDe